John Kersten

Beeldende Kunst

stilleven vanitas Coorte Dihaze

Het ‘vanitas’-genre in de kunst.

Het individu staat centraal binnen de maatschappij van deze tijd en daar valt wel wat op aan te merken. In dat kader is het veelzeggend dat het woord ‘persoon’ is afgeleid van ‘persona’, dat ‘masker’ betekent. De persoon die je bent zou best slechts een masker kunnen zijn. En ‘eigenheid’ of ‘jezelf zijn’, in dat geval, synoniem aan een onpeilbare leegte.

Jezelf bewust zijn dat het leven, jouw leven, slechts een ogenblik is in dat lange natuurlijke proces van leven, sterven en opnieuw geboren worden, relativeert die focus op het individu. Deze circulaire visie op het bestaan heeft een lineaire pendant in het wereldbeeld van de christenen: het leven op aarde is tijdelijk en alleen het leven ná de dood is eeuwig.

Het idee dat lichaam en geest (of ziel) te scheiden zijn zie je al bij Plato en het ‘neoplatonisme’ had grote invloed op de christelijke leer. De spanning tussen het aardse en het hemelse (‘contemptus mundi’) werd al vroeg zichtbaar en de sterfelijkheid was bij uitstek geschikt voor een visuele preek. In de late middeleeuwen waren afbeeldingen van de dood, met name het skelet of de dodendans (‘danse macabre’) als personificatie daarvan, dan ook gangbaar geworden in de grafkunst. Natuurlijk zijn de meeste overgebleven werken sculpturen en deze werden steeds meer morbide en uitgesproken. (De Griekse filosoof Plato, ‘… er was licht.’)

Uit deze ‘memento mori’- (ofwel ’gedenk te sterven’-) traditie kwam het kunstzinnige genre voort dat ‘vanitas’ (ijdelheid of leegheid) wordt genoemd. De oorsprong van die term ligt, als vaak in de westerse wereld, in de Bijbel: “ijdelheid der ijdelheden, zegt de prediker, het is al ijdelheid” (het boek Prediker in het Oude Testament).

In het Nederland van de vroege zeventiende eeuw bloeide het stilleven en daarmee het ‘vanitas’-genre. De grote verschillen tussen rijk en arm en de strenge calvinistische moraal waren daar mede debet aan. Het was ook een tijdperk met een moraliserende inslag, waarin het wijzen op betrekkelijkheid eerder regel dan uitzondering was.

Maar ook in het heden zijn genoeg ‘vanitas’-werken te vinden en sinds jaar en dag worden daar identieke motieven voor gebruikt: verwelkte of door insectenvraat aangetaste bloemen (vergankelijkheid), vlinders (de ziel die het lichaam verlaat), schedels (de vluchtigheid van het aardse bestaan), schelpen (vroeger ook een luxe verzamelobject), blaasinstrumenten (laatste adem of wegstervende klanken), uurwerken, gedoofde kaarsen en dergelijke (de vliedende tijd). De ‘vanitas’-werken laten vaak een stapeling van dergelijke vormen zien en houden zo de beschouwer voor dat alles vergankelijk, ijdel is.

Ik had altijd een fascinatie voor kunstzinnige uitingen die er aan herinneren dat de mens sterfelijk is. Tegelijkertijd heeft het ‘vanitas’-genre iets problematisch voor mij, juist door die veelheid van motieven, want in grote lijnen geef ik de voorkeur aan een eenvoudiger beeldtaal. Sommige werken overtuigen mij zeker, zoals ‘Zelfportret met vanitassymbolen’ van David Bailly, of meer recent ‘Ex-est’ van Raoul Hynckes. In de moderne tijd kan ik diverse werken aanwijzen die mij aanspreken, maar die hebben meestal het einde als thema zónder die opeenstapeling.

Momenteel werk ik aan mijn eigen ‘memento mori’/ ‘vanitas’ (met de werktitel ‘laatste liefde’). Als bij zoveel objecten is het niét een eerste versie, dus kost het weer veel tijd. Tegelijkertijd de vorm simpel te houden en (daarin) meerdere motieven te verwerken is een lastige missie. Door een strakke basisvorm en alleen de tinten zilver en zwart moet uiteindelijk de eenheid behouden blijven. Of ik slaag en of het ‘mooi’ of ‘interessant’ is? Ach, dat moet een ieder te zijner tijd maar voor zichzelf uitmaken.

Op de afbeelding links een deel van een stilleven uit 1686 (olieverf) door Adriaen Coorte en rechts deels een hedendaagse ‘vanitas’ (bewerkte foto) door Diana Dihaze.

Juni 2017.