John Kersten

Beeldende Kunst

Visser kunstklimaat wederopbouw neo-liberalisme

Visser en het kunstklimaat.

Met name bekend als beeldhouwer was Carel Visser welbeschouwd een veelzijdig kunstenaar en docent. Vlak na de oorlog werkte hij aanvankelijk aan geabstraheerde dierfiguren, maar zijn interesse verschoof steeds meer naar meetkundige en vaak architecturale constructies. Vanaf de jaren tachtig werden zijn objecten, tekeningen, collages en grafiek weer opnieuw geïnspireerd door de natuur.

Voor experimentele kunst als het zijne was het juiste moment daar. De wederopbouw bleek voor veel kunstenaars en niet in het laatst voor de beeldhouwers een gouden periode: een productieve tijd met grote maatschappelijke behoefte. Daarnaast werd de kunst bevorderd door diverse regelingen. Nooit eerder en nooit later was er zoveel consensus over de noodzaak van overheidsingrijpen.

Visser onderzocht beeldende principes als formatie, spiegeling, kanteling en stapeling en maakte constructies in zowel geabstraheerde (bijvoorbeeld ‘Parende vogels’ uit 1958) als later in abstracte beelden (bijvoorbeeld ‘Kubus en zijn stapeling’ uit 1967). De vrije en expressieve assemblages van heel diverse materialen die de kunstenaar daarna maakte zijn niet meer onder één noemer te vangen.

Geboren in 1928 had Visser een lange beroepscarrière van wel zestig jaar en hij overleed nog maar kort geleden, in 2015. Dat zijn dood indertijd het jaarlijkse ‘in memoriam’-overzicht van de landelijke pers niet haalde, zegt vooral iets over de belabberde status van de kunst hier in onze tijd. Want Carel Visser is een van de belangrijkste constructivistische beeldhouwers die Nederland gekend heeft.

Met de opkomst en groeiende macht van het neoliberalisme (kapitalisme waarbij ook de overheid marktwerking nastreeft) is cultuur en daarmee de hedendaagse kunst gemarginaliseerd. Wat te denken van een cultuurminister niet zo lang geleden die er trots op was niets van kunst te weten? Of een huidige minister die kunst een hobby noemt en voor de overheid geen reden ziet daar geld in te steken?

Voor dit gedachtegoed is de mens gebruiksmiddel óf gebruiker. Dat consumentisme leeft bij de gratie van het méér: meer hebben, verdienen, krijgen. Maar als jij meer hebt, heeft de ander onvermijdelijk minder… Zo leidt het blind najagen van economische groei tot steeds grotere ongelijke verdeling van welvaart, macht en toekomstperspectief, niet in het laatst door uitputting van de aarde.

In het neoliberalisme wordt beeldende kunst gezien als handel (meestal oude kunst als die van Rembrandt, dit jaar voor de zoveelste keer ‘herdacht’) of als vermaak. Illustratief daarvoor is de aandacht voor de jonge schilderes Raquel van Haver, nu in zes (!) zalen van het Stedelijk Museum Amsterdam. Enorme doeken met van alles in verwerkt, natuurlijk kleurrijk en figuratief. En vooral niét conceptueel.

In feite lieflijke voorstellingen ook, bijvoorbeeld van feestende mensen. Groot, groter, grootst, maar zonder een inzet van de beschouwer te vragen. De kunst van Carel Visser daarentegen is altijd anders en verrassend: “En dan zet ik me in mijn werk toch af tegen wat er is en kies ik voor het onbekende”. Dat juist daarom een kunstenaar het tegenwoordig niet zou redden is treurig te beseffen.

Op de afbeelding boven ‘Stervend paard’ uit 1949: gemaakt van reststukken gelast ijzer door een nog zeer jonge kunstenaar. Onder links ’Gevouwen toren’ uit 1972: door herhaling, symmetrie én het door de zwaartekracht doorbuigen van het materiaal ontstaat er een geheel eigen beeld. Daarnaast rechts ‘Moeder en kind’ uit 2001: een assemblage van ‘objet trouvés’ dat vervolgens in brons is gegoten.

Januari 2019.