Expressie en imago.
Waar en in welke tijd een kunstenaar leeft is essentieel voor succes óf falen, veel meer dan de expressie zelf. Iemand kan tijdens en na het leven vergeten worden, maar net zo goed bekend(er). Dat beïnvloeden kan de persoon zelf, bewonderaars, ondersteunende en/ of rijke familie, eventueel een mecenas: geld en positie spelen altijd een rol. Is hiervan geen sprake dan zal het werk nauwelijks opgemerkt worden, het lot van veruit de meeste kunstenaars.
In Noord-Amerika veranderde de schilderkunst na de Tweede Wereldoorlog snel van figuratie naar abstractie. Er kwam werk waar geen theoretisch kader voor was en toch positief werd ontvangen. De nadruk lag op de ‘vrijheid’ van die kunst en dat maakte het ook politiek: anti-communistisch en dus écht Amerikaans. Kunstcritici als Clement Greenberg ontwikkelden een raamwerk met de naam ‘abstract expressionisme’. (Schilder van de transcendentie)
De jonge Jackson Pollock schilderde eveneens figuratief en werd vooral geïnspireerd door het surrealisme en de Mexicaanse muralisten. (‘Het blauwe huis’) Hij leefde in armoede tot zijn werk de aandacht trok van de bekende en rijke galeriehoudster Peggy Guggenheim. Hoewel zij aanvankelijk geen interesse had, veranderde het enthousiasme van Piet Mondriaan dat blijkbaar. Zo kreeg Pollock zijn eerste solo-expositie in haar ‘Art of This Century’ galerie.
Hij ontving daarnaast van Guggenheim een toelage én een opdracht: zijn doorbraak en tegelijk zijn grootste schilderij ‘Mural’ (1943). Dat is een goed voorbeeld van de mythe die veelal om bekende kunstenaars hangt. Het zou in bezeten staat binnen één dag zijn gemaakt, maar later onderzoek wees anders uit. Er waren veel lagen over elkaar wat een langere droogtijd betekent. Het schilderen was overigens voornamelijk met de kwast op een rechtop staand doek.
Pollock leefde dus in een tijd van vernieuwing, had een mecenas én paste zich aan door de figuratie achter zich te laten. Een nieuwe vorm van expressie vond hij uiteindelijk in de dynamiek van het verf druppelen en spatten op doek. Door dat werk na 1947, de ‘action/ dripping paintings’, werd Pollock écht beroemd. Die schilderijen hebben de reputatie intuïtief en in trance ontstaan te zijn. Daardoor is hij ook iemand waarvan mensen zeggen: “mijn kind kan dat…”
In dit opzicht is een onderzoek interessant waarover in dagblad ‘De Volkskrant’ te lezen viel. Zowel kinderen als volwassenen werd gevraagd op dezelfde manier als Pollock over het doek verf te druppelen. De kunstenaar had mogelijk evenwichtsproblemen en daarom lijkt zijn werk meer op dat van kinderen, met hun nog onderontwikkelde balans. Tegelijkertijd was hij natuurlijk volwassen met meer controle op het resultaat. “Precies tussenin”, aldus de krant.
Invloedrijk én bekritiseerd bleef Pollock altijd: klodders verf of revolutionair? Opnames van de kunstenaar hebben zeker bijgedragen aan zijn roem. In hoeverre die films en foto’s de realiteit en niet de fabel weergeven blijft echter de vraag. Zelf was Pollock altijd ambivalent over abstractie en bezorgd om als decoratieve kunstenaar te worden gezien. Met ‘dripping’ stopte hij abrupt na enkele jaren. Was hij moe van die methode of moe van het imago dat het had?
Na een serie donkere doeken die minder waardering kregen keerde Pollock terug naar een meer kleurrijke en figuratieve expressie. In 1956, voor de zoveelste keer onder invloed, maakte een auto-ongeluk vroegtijdig einde aan zijn succesvolle, maar persoonlijk moeizame leven. Hij was een man met veel conflicten, mogelijk bipolair en zeker een alcoholist. (Die evenwichtsproblemen waar ‘De Volkskrant’ over schrijft zijn alleen daarom al niet onwaarschijnlijk…)
Op de afbeelding de kunstenaar werkend aan zijn ‘dripping paintings’, een “ballet van kleurspinsels” (Thomas Baumeister). Al tijdens zijn leven was er een documentaire en in 2000 een speelfilm (‘Pollock’, van en met Ed Harris).
Januari 2026.